evert larock

 

 

 

Evert Larock
Kapelle-op-den-Bos 21 - 5 - 1865 / 13 - 1 - 1901



Paul, Charles, Everard Larock getuigt van in zijn prille jeugdjaren van een bijzondere tekenkunst. Op de schoolbanken kan hij er niet aan weerstaan zijn leer- en schrijfboeken te bekladden met allerlei figuurtjes en tafereeltjes. Toen al treft hem het eigenaardige, het typische van sommige oudjes. Larock gaat met steeds groeiende belangstelling hun houding, gebaren en gedrag na. Het is voor hem een vreugde te midden van een bebloemde weide te staan, te kuieren in de schaduw van de canadabomen die de vaartoevers sieren, of te dwalen langs de eenzame, nietige veldwegels.

Later krijgt de jonge Larock, na een onverpoosd aandringen, van zijn vader de toelating om aan de tekenacademie te Mechelen avondlessen te volgen. Met 'Het verbranden van aardappelloof' penseelt hij intussen, op veertienjarige leeftijd, reeds zijn eerste landschap. Naar aanleiding van de onverwachte resultaten die Evert op de academie behaalt neemt vader Jean-Karel Larock, staatsveearts, het besluit om zijn zoon naar Antwerpen te laten gaan. In de daguren werkt Larock op het atelier van decoratieschilder H. Verbeucken en 's avonds volgt hij gedurende drie jaar lessen aan de tekenacademie. Bij uitzondering wordt hem de gewaardeerde 'Primusprijs' toegekend. Vader Larock en moeder Verhulst nemen intussen, met de andere kinderen, ook hun intrek in de havenstad.

Na deze academische vorming breekt voor de beloftvolle, achttienjarige jongeling het gevreesde ogenblik aan. De 'loting' verloopt ongunstig en Evert Larock wordt geacht zijn vierjarige legerdienst te vervullen. Tijdens zijn dienstplicht wordt hij ziek, waardoor Larock door de overheid van het militair hospitaal voor zes maanden op ziekteverlof wordt gesteld. Nauwelijks is Larock naar zijn geboortedorp weergekeerd of door de gendarmen wordt hem op een morgen het bevel overgemaakt dat hij zich in het krijgshospitaal te Namen dient aan te melden. Na een observatie van vier weken wordt hij tenslotte voor goed uit het leger ontslagen. Evert Larock is teringlijder... en die akelige ziekte zal hem gedurende vijftien jaar lang kwellen. Larock verblijft voor een lange periode bij de oud burgemeestersfamilie Van Hooymissen, waar hij met de meeste zorgen wordt omringd.

Begin 1885 voegt Evert Larock zich weer bij zijn familie te Antwerpen en onder leiding van Charles Verlat volgt hij daar de daglessen aan de academie. Zijn eerste schildersjaar besluit hij op een glansrijke wijze. Met het onderwerp 'Zittende visser', geschilderd naar levend model, krijgt hij de primusprijs. In 1886 wordt de familie zwaar beproefd door het afsterven van vader Larock. Deze nieuwe tegenslag verplicht de kunstenaar zijn studie stop te zetten. Gelukkig voor de kunst en gelukkig voor hemzelf, want zijn talent wordt er des te persoonlijker en des te origineler om. Vier jaar na het afsterven van haar man neemt moeder Larock haar intrek in een huis, gelegen aan de Bredabaan te Brasschaat - Maria-ter-Heide. Zoon Evert Larock houdt zijn moeder er af en toe voor enkele dagen, soms voor enkele weken gezelschap, doch hij verblijft bij voorkeur in zijn geliefde vaartgemeente. Aan de Pastorijstraat heeft Larock een oud schuurtje als atelier ingericht. Om zich enigszins tegen de koude te beschermen heeft hij de kale vloer met stenen belegd.

In dit armtierig schuurtje ontstaat, naast vele andere meesterwerken, zijn onsterfelijke 'Idioot' of door sommige ook 'De onnozele' genoemd. Dit prachtwerk stelt hij datzelfde jaar tentoon op de Driejaarlijkse Kunsttentoonstelling te Gent. Het kent er een bijzondere bijval en Theodoor Verstraete, een landschapschilder met faam, spreekt van een meesterstuk. Larock krijgt een uitnodiging om zich aan te sluiten bij de kunstkring 'De XIII'. Evert Larock voelt zich vereert en aanvaard met een een groot genoegen zijn lidmaatschap. Naast Theodoor Verstraete bestaat de Antwerpse kring der XIII nog uit Leon Abry, Emile Claus, Eduard De Jans, Henri de Smeth, Edgard Farasyn, boezemvriend Frans Hens, Henry Luyten, Charles Mertens, Leon Van Aken, Lodewijk Van Engelen en Romain Looymans. Jaarlijks organiseren zij een kunsttentoonstelling te Antwerpen en ter dezer gelegenheid overhandigen zij tevens een kunstmap aan de ereleden-ondersteuners. Deze map bevat dertien etsen van de respectievelijke aangesloten leden.

Naarmate zijn talent groeit en langzamerhand tot volle rijpheid komt, neemt ook zienderogen de onmeedogenloze ziekte toe die hem ondermijnt. Hoe die akelige tuberculosekwaal zijn lichaam ook teistert, van tijd tot tijd gaat het beter en dan neemt Larock het palet en de penselen met onverzettelijke moed ter hand. Met een zekere voorliefde werkt hij onverdroten langs de boorden van het kanaal, op de akkers en in de bossen, maar Larock zet de schildersezel ook meermaals neer op de doeningen van de boeren. Landschappen en binnenzichten zijn voor hem ook zeer geliefde onderwerpen. Zo schildert hij de boeren, de akkers en de tuinen, de eenvoudige nederige woningen en de boereninterieurs vol kleur. De kleur! Evert Larock faalt niet in de kleurzetting. Met een fijngevoeligheid brengt hij de kleuren van het palet op het doek over, hij doet ze schitteren. Net als de snaren van zijn dierbare viool laat hij ze zelfs zingen en tenslotte brengt hij ze tot leven in steeds nieuwere schakeringen. Zo borstelt Larock, men voelt het, het is hem aangeboren. De kleur betovert hem, ze vervoert hem, krijgt haar zodanig lief, dat hij voor haar soms al het overige vergeet.

Evert Larock is schilder door aandrang. Hij penseelt zoals de vogel zingt, zonder najaging van bijval noch roem. Larock schildert omdat zijn ziel, getroffen door het schone en overvol van gevoel, er hem toe dwingt. Al zijn werken, zelfs de onbeduidende in schijn, weerspiegelen de toestand van zijn geest. Zij doen gevoelen wat hij voelt en delen aan degenen die voelen en denken kunnen, die zachte en tevens diepe weemoed mede die zijn gewone zielstoestand uitmaakt. Slechts grote kunstenaars zijn daartoe in staat. Medelijden voor zwakken en ongelukkigen spoort hem meermaals aan bij de keuze van zijn onderwerpen. Wie herinnert zich niet die ongelukkige 'Idioot', weggekropen in een walgelijk hoekje op een hoop steengruis? Hij staart in het niet. Wie zal ooit de treurige en wonderlijke gedachten kennen die zijn arm brein bevangen, de onbepaalde herinneringen die hem kwellen? Alles in dit doek, zowel de kleur als de weemoedige uitdrukking, de zachte harmonie, laten een duurzame indruk na. Zijn Kempische binnenzichten, landschappen en portretten bezitten allen dezelfde hoedanigheden, soms met nog meer kracht. Zij herinneren steeds aan iets dat waargenomen wordt op het ogenblik dat alles schoner en treuriger wordt.

Na een noodzakelijk verblijf in het sanatorium te Bokrijk verblijft deze begaafde kunstenaar achtereenvolgens te Kalmthout, Brasschaat en Heist-op-den-Berg, om dan uiteindelijk naar zijn geboortedorp Kapelle-op-den-Bos weer te keren. Daar overlijdt hij op vijfendertigjarige leeftijd, in de volle kracht van zijn talent. Nooit zal die grote jongen, openhartig, rondborstig, bevallig en verstandig, een schone en zachte figuur als een lijdende Christus, worden vergeten. Fier zijn weg gaande, zijn kunst tot een ware godsdienst makende, zonder zich te storen aan kleingeestige tegenkanting en kuiperij. Hij doorstaat een lange marteling, zowel lichamelijk als geestelijk. Larock lijdt wat een kunstenaar zoal lijden kan, hij verlaat de wereld met het gevoel en de verzekering dat zijn werk zal blijven en groter worden met de tijd. Evert Larock laat een oeuvre na, groot genoeg om hem een ereplaats te verzekeren onder de grootste kunstenaars van ons land.

Na zijn overlijden wordt zijn laatste rustplaats later ondergebracht op het Erepark Z1 (Lijn D - 09) van het Schoonselhof te Antwerpen.

Een aantal van zijn werken bevinden zich in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen, in het gemeentehuis van Kapelle-op-den-Bos en in verscheidene particuliere verzamelingen.

Fotogalerie: Dorpskerk - Kousenstopster



Index - Artists - Kunstenaars - Artistes - Sales